alt - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord alt alten
verkleinwoord altje altjes

Zelfstandig naamwoord

de alt v / m

  1. m (muziek) lage vrouwenstem
    • De zangeres was beroemd om haar warme alt.
  2. m (muziekinstrument) (afkorting) altinstrument, vaak de altviool
    • De bezetting bestaat uit 7 eerste violen, 7 tweede violen, 3 alten, 4 celli en 2 contrabassen.
  3. m (muziek) (beroep) persoon in een orkest die een altinstrument bespeelt
  4. v (muziek) vrouw die een altstem bezit
    • De alt was een rijzige vrouw met een diepe stem.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

2. altinstrument, vaak de altviool

3. bespeler van een altinstrument

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "alt" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. alt op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Catalaans

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. hoog

Cimbrisch

Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. oud
Afgeleide begrippen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
stellend vergrotend overtreffend
alt /alt/ älter /ˈɛltɐ/ am ältesten /am ˈɛltəstn̩/
alle verbuigingsvormen
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. oud (van hoge leeftijd).
    «Es gibt alte Menschen, Tiere und Pflanzen.»
    Er zijn oude mensen, dieren en planten.
    «Mit Mitte 30 fühlte sie sich schon alt
    Rond haar 30e voelde zij zich al oud.
  2. oud (een bepaald leeftijd hebbend).
    «Unser Baby ist sieben Wochen alt
    Onze baby is al zeven weken oud.
  3. oud (een bepaalde tijd voorhanden, van gebruik zijnd).
    «Sein Auto ist erst drei Jehre alt
    Zijn auto is pas drie jaar oud.
    «Das Spiel war keine zwei Minuten alt, als das erste Tor fiel.»
    Het spel was nog geen twee minuten begonnen toen de eerste toren geslagen werd.
  4. oud (niet meer nieuw, al lange tijd bestaand, versleten).
    «Man riss die alte Bauruine ab.»
    Men brak het oude, niet afgemaakte gebouw af.
    «Sie handelt mit alten Büchern.»
    Zij handelt in oude boeken.
  5. oud (sinds een lange tijd voorhanden, bestaand; al lange tijd geproduceerd).
    «Der Fisch schmeckt alt
    De vis smaakt oud.
  6. oud (van het vorig jaar).
    «Das alte Jahr geht zu Ende.»
    Het oude jaar eindigt bijna.
    «Die alten Kartoffeln sind nun aufgebraucht.»
    De oude aardappels zijn nu opgebruikt.
  7. oud (sinds een lange tijd voorhanden, bestaand; voor al lange tijd opgekomen, opgericht en dus beproefd).
    «Bei der historischen Restaurierung des Gebäudes griff man auf alten Erfahrungen und Traditionen zurück.»
    Bij de historische restauratie van het gebouw greep men op oude ervaringen en tradities terug.
  8. oud (langjarig, veeljarig).
    «Wir sind alte Freunde.»
    Wij zijn oude vrienden.
    «Er ist ein altes und geschätztes Mitglied unseres Vereins.»
    Hij is een oud en gewaardeerd lid van onze vereniging.
  9. oud (allang bekend en dus verouderd, saai).
    «Über diese alten Witze kann ich schon lange nicht mehr lachen.»
    Om deze oude grap kan ik al lang niet meer lachen.
  10. oud (uit een vroegere tijd of voormalige tijdperk stammend; een afgelopen tijd betreffend).
    «Als Kind wurden ihr alte deutsche Sagen vorgelesen.»
    Als kind werden haar oude Duitse sagen voorgelezen.
  11. oud (antiek, klassiek).
    «Er ließt viel über die alten Griechen und Römer.»
    Hij leest veel over de oude Grieken en Romeinen.
    «Sie studiert alte Sprachen.»
    Zij studeert oude talen.
  12. oud (door verouderen kostbaar, waardevol geworden).
    «Man sollte sehr behutsam mit altem Porzellan umgehen.»
    Men moet zeer voorzichtig omgaang met het oude porselein.
    «Zur Feier des Tages öffnete er eine Flasche alten Weins.»
    Om de dag te vieren, opende hij een fles oude wijn.
  13. oud (onveranderd, [van vroeger] bekend, vertrouwd, gewoon [en dus lief gekregen, geschat]).
    «Alles geht seinen alten Gang.»
    Alles gaat weer zijn oude gangetje.
  14. oud (vorig, voormalig, vroeger).
    «Er traf sich nach vielen Jahren wieder mit alten Bekannten.»
    Er sprak na vele jaren weer af met oude bekenden.
  15. (spreektaal) een vertrouwelijke aanspreekvorm
    «Na, alter Junge, alles klar bei dir?»
    Nou, oude gozer, hoe gaat 'ie?
  16. (spreektaal), (pejoratief) bij negatief gekarakteriseerende personenbenamingen en vloekwoorden
    «Du alter Geizkragen!»
    Jij oude gierigaard!
    «Altes Schwein!»
    Oud varken!
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Spreekwoorden

Men is zo oud als men zich voelt.

Uit oud maakt men nieuw.

Oude vriend

Uitdrukkingen en gezegden

het niet lang meer uithouden

het nakijken hebben

Oude en jonge mensen

oude wijn in nieuwe zakken

Riograndenser Hunsrückisch

Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. oud

Luxemburgs

Uitspraak
Woordafbreking

Bijwoord

alt

  1. soms

Middelhoogduits

Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. oud

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 70

Bijvoeglijk naamwoord

alt, o

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van all

Bijwoord

alt

  1. al, reeds
    «Er du ferdig alt
    Bent je al klaar?
Synoniemen
m[A] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief alt alten alter altene
genitief alts altens alters altenes

Zelfstandig naamwoord

[A]: alt, m

  1. (muziek) alt (lage vrouwenstem)
  2. (muziek) alt (vrouw die een altstem bezit)
  3. (muziek) altpartij
  4. (muziekinstrument) alt (altinstrument)
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

alt zingen

alten en sopranen

o[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief alt altet alt alta
genitief alts altets alts altas

Zelfstandig naamwoord

[B]: alt, o

  1. heelal, universum

Zelfstandig naamwoord

alt, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van alt

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

alt, o

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van all

Bijwoord

alt

  1. al, reeds
    «Då brannvesenet kom fram var huset alt overtent.»
    Toen de brandweer aankwam, stond het huis al in lichterlaaie.
Synoniemen
m[A] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief alt alten altar altane

Zelfstandig naamwoord

[A]: alt, m

  1. een lage stem van een kind of een vrouw
  2. (muziek) alt (lage vrouwenstem)
  3. (muziek) alt (vrouw die een altstem bezit)
  4. (muziekinstrument) alt (altinstrument)
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
o[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief alt altet alt alta

Zelfstandig naamwoord

[B]: alt, o

  1. heelal, universum

Zelfstandig naamwoord

alt, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van alt

Oudhoogduits

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. oud
Schrijfwijzen

Oudnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. oud

Verwijzingen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
Sterkeverbuiging [1] mannelijkenkelvoud vrouwelijkenkelvoud onzijdigenkelvoud meervoud
nominatief alder aldi alt alde
datief aldem alder aldem alde
accusatief alder aldi alt alde
Zwakkeverbuiging [2] mannelijkenkelvoud vrouwelijkenkelvoud onzijdigenkelvoud meervoud
nominatief alt alt alt alde
datief alde alde alde alde
accusatief alt alt alt alde
Gemengdeverbuiging [3] mannelijkenkelvoud vrouwelijkenkelvoud onzijdigenkelvoud meervoud
nominatief alder aldi alt alde
datief alde alde alde alde
accusatief alder aldi alt alde

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. oud
    «Die Karrichhof seht gut aus, awwer die Karrich net so viel. Sell hawwich drauerich gefunne, en alde Karrich, un kee Gottesdinscht meh.»
    De begraafplaats ziet er goed uit, maar de kerk niet zo veel. Ik vond ze triest, een oude kerk, en geen diensten meer.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. onbepaald (zonder lidwoord) nominatief en accusatief onzijdig enkelvoud stellende trap van alt

alt

  1. bepaald nominatief en accusatief enkelvoud stellende trap van alt

alt

  1. onbepaald nominatief en accusatief onzijdig enkelvoud stellende trap van alt

Verwijzingen

  1. zonder lidwoord
  2. met bepaald lidwoord
  3. met onbepaald lidwoord: ein, kein, mein, dein, sein, ihr (v, enk), unser, euer, ihr (mv), Ihr

Pools

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

alt m

  1. (muziek) alt; lage vrouwen- of kinderstem
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie

Slowaaks

Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

alt m

  1. (muziek) alt; lage vrouwen- of kinderstem

Meer informatie

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

alt monbezield

  1. (muziek) alt; lage vrouwen- of kinderstem
  2. (techniek) Alt; een toets op het toetsenbord van veel computers
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | alt | alty | | genitief | altu | altů | | datief | altu | altům | | accusatief | alt | alty | | vocatief | alte | alty | | locatief | altu | altech | | instrumentalis | altem | alty |

Antoniemen
  1. soprán m, tenor m
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen

Meer informatie

Verwijzingen

Turks

Zelfstandig naamwoord

alt

  1. onderkant