appel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Een rode appel

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
afkomstig van: Middelnederlands: appel, apelGermaans: *ap(a)lazIndo-Europees: *abl-/*ablu- Verwant in Germaans: West: Duits: Apfel, Engels: apple, Fries: appel Noord: IJslands: epli, Zweeds: äpple (Oudnoords: epli) Andere Indo-Europese talen: Slavisch: Russisch: яблоко Baltisch: Litouws: obuolys Keltisch: Iers: úll
áppel enkelvoud meervoud
naamwoord appel appelsappelen
verkleinwoord appeltje appeltjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de áppel m

  1. (bloemplanten) (fruit) Malus op Wikispecies ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom (in het bijzonder van de soort Malus domestica op Wikispecies).
    • Snoep gezond, eet een appel!
      De groene velden hadden de tinten van peterselie, limoen en appel aangenomen. Wilde bloemen: spetters rood en paars, kanariegele bloemblaadjes die bewogen in de bries.[2]
      Toen ik de volgende ochtend om 4 uur wakker werd, stond de stille jongen al op het punt te vertrekken en gaf me een appel.[3]
  2. (bloemplanten) Malus op Wikispecies boom die deze vruchten draagt, appelboom.
    • Ik heb veel appelen staan in mijn tuin.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken./Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van.

Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen, of ook hun reputatie aantasten.

Uitdrukkingen en gezegden

Een schip met zure appels

Een schip met zure appels

Iets extra's dat men achter de hand houdt voor minder goede tijden

Onvergelijkbare zaken toch met elkaar (proberen te) vergelijken

Iemand afzetten, in het zak zetten

Een kostbare inhoud in een kostbare verpakking

Het onaangename trotseren

Met iemand nog iets (meestal) onaangenaams af te handelen hebben

Daar komt een storm aan

Dat is heel zeldzaam

Vertalingen

1. vrucht

Afrikaans: appel (af) Alemannisch: Kulturöpfel, Öpfel Angelsaksisch: æppel (ang) Bosnisch: jabuka (bs) v Bulgaars: ябълка (bg) v (jabalka) Catalaans: poma (ca) Chinees:Vereenvoudigd Chinees: 苹果 (zh-sc) (ping2guo3) Traditioneel Chinees: 蘋果 (zh-tc) Deens: æble (da) Duits: Apfel (de) m Engels: apple (en) Esperanto: pomo (eo) Fins: omena (fi) Frans: pomme (fr) v Fries: apel (fy), appel (fy) Grieks: μήλο (el) o (mílo) Hebreeuws: תפוח (he) m (tapoeach) Hindi: सेब (hi) (seb) Hongaars: alma (hu) Ido: pomo (io) IJslands: epli (is) o Indonesisch: apel (id) Italiaans: mela (it) v Japans: 林檎 (ja) (りんご, ringo) Jiddisch: עפּל (yi) (epl) Koerdisch:Koerdisch: sêv (ku) v Centraal-Koerdisch: sêw (ckb) Koreaans: 사과 (ko) (sa-gwa) Limburgs: appel (li) Luxemburgs: Apel (lb) Malagasy: paoma (mg) Maleis: epal (ms) Middelengels: appel Middelhoogduits: appel (gmh), apfel (gmh), epfel (gmh), öpfel (gmh) Middelnederduits: appel Middelnederlands: apel, āpel, appel Nedersaksisch: abbel (nds), appel (nds), Appel (nds) Nedersorbisch: jabłuko (dsb) Noord-Fries: aapel, ååpel, Oapel Noors: eple (no) Occitaans: poma (oc) v Oekraïens: яблуко (uk) Oppersorbisch: jabłuko (hsb) Oudfries: appel Oudhoogduits: apful Oudnederlands: appel Oudsaksisch: appel (osx) Papiaments: appel, aplo (alternatief op Aruba) Perzisch: سیب (fa) (sib) Plautdietsch: Aupel (pdt), Auppel (pdt) Pools: jabłko (pl) o Portugees: maçã (pt) v Ripuarisch: Appel (ksh) Roemeens: măr (ro) o Russisch: яблоко (ru) (jabloko) Saterfries: Appel (stq) Schots: aipple (sco), aiple (sco) Servisch: jabuka (sr) Sloveens: jabolko (sl) o Slowaaks: jablko (sk) o Spaans: manzana (es) v Tsjechisch: jablko (cs) o Turks: elma (tr) Vietnamees: quả táo (vi) Waals: peme (wa) Welsh: afal (cy) m West-Vlaams: appel (vls) Zweeds: äpple (sv) o
appél enkelvoud meervoud
naamwoord appel appels
verkleinwoord appelletje appelletjes

Zelfstandig naamwoord

[B] het appél o

  1. tijdstip waarop alle leden van een groep bijeengeroepen worden om hun aanwezigheid te bewijzen.
    • 's Morgens om zes uur moesten alle soldaten op appel verschijnen.
  2. het doen van een beroep op iemands gevoel van eer of rechtvaardigheid
    • De appellant richtte een appel aan de gouverneur om de executie uit te stellen.
  3. (juridisch) hoger beroep
  4. (valkerij): de reactie of gehoorzaamheid van de vogel
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "appel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Achterhoeks

enkelvoud meervoud
naamwoord appel appels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord appel appels
Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
Overerving en ontlening

Meer informatie

Frans

Uitspraak
Gelijkklinkende woorden
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
appel l'appel appels les appels

Zelfstandig naamwoord

appel m

  1. aanroep, oproep
  2. (juridisch) appel, beroep [2]
  3. sein
  4. telefoongesprek
  5. (sport) het zich afzetten voor een sprong
  6. (kaartspel) invite [1]
Typische woordcombinaties

Verwijzingen

Fries

enkelvoud meervoud
naamwoord appel appels
verkleinwoord
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen

Verwijzingen

Gronings

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom
Schrijfwijzen

Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

appel m

  1. (Hooglimburgs), (fruit) appel (vrucht).
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief appel - eppelke - eppel - eppelkes -
genitief appels - eppelkes - eppel - eppelkes -
locatief appeles - appeleske - appelese - appeleskes -
datief appele - eppelke - eppel - eppelkes -
accusatief appel - eppelke - eppel - eppelkes -

Meer informatie

Middelengels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom
Schrijfwijzen
æppel æpple appell appil appill apple appul appull appulle appyl appyll eappel eppel
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening

Middelhoogduits

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

apfel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening

Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

appel m

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening

Verwijzingen

Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord appel appels
verkleinwoord
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

appel m

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom
Schrijfwijzen

Meer informatie

Oudfries

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

appel m

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom
Overerving en ontlening

Oudsaksisch

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening

Ripuarisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

appel m

  1. (fruit) appel
Schrijfwijzen

Papiaments

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud ofimpliciet meervoud expliciet meervoud
appel appelnan

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel
Synoniemen

Stellingwerfs

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom

Twents

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom

Veluws

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom

Meer informatie

West-Vlaams

Zelfstandig naamwoord

appel

  1. (fruit) appel; ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom

Meer informatie