appelboom - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord appelboom appelbomen
verkleinwoord appelboompje appelboompjes

Zelfstandig naamwoord

de appelboom m

  1. boom waaraan appels groeien
Vertalingen

1. boom waaraan appels groeien

Alemannisch: Öpfelbaum Duits: Apfelbaum (de) m Engels: apple tree (en) Frans: pommier (fr) m Italiaans: pomo (it) m Kasjoebisch: jabłónka (csb) Nedersaksisch: appelboom (nds), Appelbaum (nds), Appelboom (nds) Nedersorbisch: jabłušcyna (dsb) Noord-Fries: Aapelbuum Noors: epletre (no) o Nynorsk: epletre (nn) o Oekraïens: яблуня (uk) v Oppersorbisch: jabłučina (hsb) Pools: jabłon (pl) v Saterfries: Appelboom (stq) Slowaaks: jabloň (sk) Spaans: manzano (es) m, árbol de manzanas (es) m, manzanal (es) m Tsjechisch: jabloň (cs) v

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. appelboom op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Achterhoeks

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord appelboom appelbeume
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

appelboom

  1. (plantkunde) appelboom; boom waaraan appels groeien

Nedersaksisch

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord appelboom appelbeume
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

appelboom

  1. (plantkunde) appelboom; boom waaraan appels groeien
Schrijfwijzen