autoriteit - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autoriteit autoriteiten
verkleinwoord autoriteitje autoriteitjes

Zelfstandig naamwoord

de autoriteit v

  1. de overheid, het bevoegd gezag
    • Van de autoriteiten mag er niet meer in de cafés gerookt worden.
    • Al snel duiken gezondheidsklachten op. Niet bij Van Nijen, die er nuchter in staat. 'Als het echt erg was, had de GGD wel gewaarschuwd.' Andere bewoners maken zich grote zorgen. 'Een gifwijk!', roepen ze. 'Wij gaan dood hier.' De autoriteiten proberen de onrust te temperen. Volgens de GGD blijft de uitstoot van schadelijke stoffen binnen de normen. [4]
      Hopelijk komt het ooit zover dat de autoriteiten ingrijpen, waarna deze waanzin een halt wordt toegeroepen.[5]
  2. een persoon met veel kennis op een bepaald gebied
    • Hij is een autoriteit op het gebied van wiskunde.
  3. macht en gezag
    Hij had zichzelf al snel weer in de hand, straalde macht en autoriteit uit, en was, in tegenstelling tot mij, totaal niet onder de indruk van hun uniform.[6]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "autoriteit" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Wiktionnaire
  3. autoriteit op website: Etymologiebank.nl
  4. de Volkskrant Mac van Dinther9 januari 2017 Olstenaren zijn klaar met tien jaar durende bodemsanering
  5. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2

  6. Jessie Burton (vert. Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be