baal - WikiWoordenboek (original) (raw)

hooibaal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baal balen
verkleinwoord baaltje baaltjes

Zelfstandig naamwoord

de baal v / m

  1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
    • De sjouwer droeg met een grote baal katoen op zijn hoofd.
      ' Het voelt alsof ik een baal hooi van mijn rug heb geworpen.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak

Werkwoord

vervoeging van
balen

baal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van balen
    • Ik baal.
  2. gebiedende wijs van balen
    • Baal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van balen
    • Baal je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "baal" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Jamaicaans Patois

Zelfstandig naamwoord

baal

  1. bal