babbelen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
babbelen babbelde gebabbeld
zwak -d volledig

Werkwoord

babbelen

  1. inergatief gezellig praten over zaken van weinig belang
    • Vrolijk babbelend liepen zij te winkelen.
      Even kwiek als voor de lunch liepen ze voor hem uit en babbelden erop los.[4]
      Ik wilde eroverheen babbelen, maar ik kreeg het niet voor elkaar. Misschien kwam het doordat Vincenzo er niet was. Hij moest voor een verjaardag van een familielid terug naar Prizzi. Vincenzo met zijn quasidiepzinnige oneliners.[5]
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

1. gezellig praten over zaken van weinig belang

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. babbelen op website: Etymologiebank.nl
  3. "babbelen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2

  5. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be