babbelen - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bab·be·len
Woordherkomst en -opbouw
- frequentatief gevormd uit het verouderde babben ww "kinderlijk praten" met het achtervoegsel -el; in de betekenis van ‘praten’ voor het eerst aangetroffen in 1784 [1] [2] [3]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs | verleden tijd | voltooid deelwoord |
| babbelen | babbelde | gebabbeld |
| zwak -d | volledig |
Werkwoord
babbelen
- inergatief gezellig praten over zaken van weinig belang
- Vrolijk babbelend liepen zij te winkelen.
▸ Even kwiek als voor de lunch liepen ze voor hem uit en babbelden erop los.[4]
▸ Ik wilde eroverheen babbelen, maar ik kreeg het niet voor elkaar. Misschien kwam het doordat Vincenzo er niet was. Hij moest voor een verjaardag van een familielid terug naar Prizzi. Vincenzo met zijn quasidiepzinnige oneliners.[5]
- Vrolijk babbelend liepen zij te winkelen.
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
Gangbaarheid
- Het woord babbelen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "babbelen" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[6] |
Verwijzingen
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ babbelen op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "babbelen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - ↑
Marion Pauw e.a.
“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be