bad - WikiWoordenboek (original) (raw)

[1]: Een bad

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bad baden
verkleinwoord badje badjes

Zelfstandig naamwoord

het bad o

  1. (sanitair), (techniek) voorwerp waarin men zich wast met water, meestal in de vorm van een vat [1] of kuip en gemaakt van hout of een harder materiaal, zoals steen of ijzer
    • Wij hebben thuis een heerlijk ligbad waarin je lekker kunt relaxen na een dag hard werken.
      'Ik heb het bad voor u laten vollopen,' zei ze, haar ogen afwendend voor Olives naaktheid.[2]
      Per ongeluk had ik het bad laten overlopen toen ik even weg was gedommeld op het kingsize motelbed.[3]
  2. (sanitair) een bad [1] nemen het zich baden ww
    • Ben je al klaar met je bad?
  3. (natuurkunde) hoeveelheid water of ander medium waarin iets of iemand ondergedompeld kan worden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. voorwerp waarin men zich wast met water

2. hoeveelheid water of andere vloeistof waarin iets of iemand ondergedompeld kan worden

Werkwoord

vervoeging van
bidden

bad

  1. enkelvoud verleden tijd van bidden
    • Ik bad.
    • Jij bad.
    • Hij, zij, het bad.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bad" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Jessie Burton (vert. Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 439

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------------- | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | bad | badet | bade | badene | | genitief | bads | badets | bades | badenes |

Zelfstandig naamwoord

bad, o

  1. bad
  2. gebruikt in woordsamenstellingen met bade-, bijv. badehus: iets dat met baden te maken heeft
Afgeleide begrippen

Verwijzingen

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
bad worse worst

Bijvoeglijk naamwoord

bad

  1. slecht
  2. schadelijk
  3. bedorven
  4. ernstig
  5. minderwaardig
  6. kwaadaardig
Synoniemen
Antoniemen

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

bad

  1. bad
Afgeleide begrippen

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 1599

Werkwoord

bad

  1. gebiedende wijs van bade

Werkwoord

bad

  1. verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van be
Schrijfwijzen

Werkwoord

bad

  1. verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van bede
Schrijfwijzen

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------------- | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | bad | badet | bad | badabadene | | genitief | bads | badets | bads | badasbadenes |

Zelfstandig naamwoord

bad, o

  1. het baden in water, zand, modder of andere stoffen of in de zon
  2. bad (hoeveelheid vloeistof)
  3. (scheikunde) bad (hoeveelheid chemische vloeistof)
  4. (bouwkunde) badkamer
    «Leiligheten har både bad og vannklosett.»
    Het appartement heeft zowel bad als watercloset.
  5. badplaats, kuuroord
  6. (bouwkunde) gebouw met badkamers of zwembad
    «Kommunen har bygget et nytt bad
    De gemeente bouwde een nieuwe badinrichting.
  7. gebruikt in woordsamenstellingen met bade-, bijv. badehus: iets dat met baden te maken heeft
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties

een onvrijwillig bad

een warm bad

een elektrolytisch bad

een kuur in een bad nemen

Zelfstandig naamwoord

bad

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van bad

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

bad

  1. gebiedende wijs van bade
Schrijfwijzen

Werkwoord

bad

  1. verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van be

Werkwoord

bad

  1. verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van bede

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | -------------------------------------------- | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | bad | badet | bad | bada |

Zelfstandig naamwoord

bad, o

  1. het baden in water, zand, modder of andere stoffen of in de zon
  2. bad (hoeveelheid water of andere vloeistof)
  3. (scheikunde) bad (hoeveelheid chemische vloeistof)
  4. (bouwkunde) badkamer
    «Huset har både bad og vassklosett.»
    Het huis heeft zowel bad als watercloset.
  5. badplaats, kuuroord
  6. (bouwkunde) gebouw met badkamers of zwembad
  7. gebruikt in woordsamenstellingen met bade-, bijv. badehus: iets dat met baden te maken heeft
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties

een bad nemen

een warm bad

een elektrolytisch bad

een kuur in een bad nemen

Zelfstandig naamwoord

bad

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van bad

Veluws

Zelfstandig naamwoord

bad

  1. bad
Afgeleide begrippen

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 533
bads enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief bad badet bad baden
genitief bads badets bads badens

Zelfstandig naamwoord

bad

  1. bad (voor een of meerdere personen)
    «Väl hemma var jag tvungen att ta ett bad då jag var så frusen.»
    Goed thuis aangekomen, was ik gedwongen een bad te nemen, want ik zo koud was.
  2. (scheikunde) bad (chemisch)
  3. (afkorting), (verkorting) van badhus of badplats
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

bad

  1. genitief onbepaald onzijdig meervoud van bad