badge - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord badge badges
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de badge m

  1. teken dat als kenmerk op de kleding kan worden bevestigd
    1. (militair) embleem dat verwijst naar een onderdeel van de krijgsmacht of krijgsverrichtingen
    2. op te spelden plaatje met tekst of afbeelding, vaak bedoeld om een opvatting of lidmaatschap van een groep zichtbaar te maken
    3. op de kleding te dragen naamkaartje op een bijeenkomst, soms ook gebruikt als bewijs van toegang, vergelijk [2.2]
  2. teken dat men bij zich draagt als bewijst van een bepaalde status
    1. herkenningsteken dat aantoont dat men politiefunctionaris is
      Een plastic badge, een speciale sleutel of wat dan ook.[3]
    2. toegangspasje, soms ook bedoeld om zichtbaar te dragen, vergelijk [1.3]
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
badgen

badge

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van badgen
    • Ik badge.
  2. gebiedende wijs van badgen
    • Badge!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van badgen
    • Badge je?
  4. aanvoegende wijs van badgen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

Engels

enkelvoud meervoud
badge badges

Zelfstandig naamwoord

badge

  1. badge, insigne
vervoeging
onbepaalde wijs to badge
he/she/it badges
verleden tijd badged
voltooid deelwoord badged
onvoltooid deelwoord badging
gebiedende wijs badge

Werkwoord

badge

  1. overgankelijk voorzien van een onderscheiding, kenteken e.d.
Overerving en ontlening