baksteen - WikiWoordenboek (original) (raw)

baksteen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baksteen bakstenen
verkleinwoord baksteentje baksteentjes

Zelfstandig naamwoord

de baksteen m

  1. (bouwkunde) uit klei of leem gebakken steen
    • Voor de bouw van het huis zijn bakstenen gebruikt.
      De buitenproportioneel grote klokkentoren van rode baksteen met een witte marmeren omgang en een groen puntdak bracht met zijn asymmetrische plaatsing een belachelijk contrapunt aan in de rationele, paradeerbare ruimte, dat juist vanwege het feit dat het concessieloos gewaagd en overdreven was effectief en elegant uitpakte.[1]
      Een zwart-wit beeld uit de jaren vijftig van de vorige eeuw: regen op het Lodewijk Napoleonplein in Assen, een man met een paraplu laat zijn honden uit, huizen van baksteen onder steile driehoekige daken. Er is maar een verbinding met het beeld van de schamele behuizingen in Tutwiler, Mississippi: de blues.[2]
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Een huis voor zichzelf willen hebben

Vertalingen

1. uit klei of leem gebakken steen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen