bank - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bank banken
verkleinwoord bankje bankjes

Zelfstandig naamwoord

de bank v / m

  1. (materiaalkunde) breed houten of metalen voorwerp waarop mensen kunnen zitten
    1. harde langwerpige constructie zoals die vaak in kerken, openbaar vervoer en buiten is te vinden
      • Hij voerde de eendjes vanop de bank in het park.
        Op de ochtend dat hij bij het Skelton werd verwacht, zat hij op een bank midden op het plein op me te wachten.[2]
    2. (meubel) comfortabel bekleed meubelstuk waar meer mensen naast elkaar op kunnen zitten
      • Ze zaten op de bank naar de tv te kijken.
        Hierna ging ze tegenover me op een versleten bank zitten en drapeerde, als op een bruidsstoel, de kamerjas om zich heen De kamer stond vol met boeken, voornamelijk poëzie en boeken met titels die naar bloedige en tumultueuze verhalen verwezen, gebeurtenissen die me vaag bekend voorkwamen.[3]
  2. (financieel) instelling die geld beheert en uitleent
    • De bank verlaagde de rente.
      Vooropgesteld dat ze de bank zover konden krijgen bepaalde leningen te garanderen in een branche die de meesten nu de rug toekeerden in verband met die huurregeling.[4]
  3. (waterbeheer) een ondiepte in het water
    • De boot was op een bank vastgelopen.
  4. (bouwkunde), (financieel) gebouw waarin een als bij [2] genoemde financiële instelling gevestigd is
    • Ik ging naar de bank om de hoek.
    • Vader was naar de bank om te praten over een lening.
  5. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    • Ik heb al mijn gegevens gekopieerd naar een databank.
  6. (geologie) harde aardlaag
  7. (meteorologie) donkere laag of streep van wolken aan de horizon
    • Een bank van wolken.
  8. (werktuigbouwkunde) werktafel, zoals een draaibank etc.
    • Aan een werkbank werk je meestal staande.
Synoniemen
Opmerkingen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Geen werkopdracht hebben

Je niet stil houden, maar je mening openlijk uiten

Maar weinigen die naar iemands verhaal luisteren

Iemand die in alles te vertrouwen is

Overerving en ontlening
Vertalingen

1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon

3. een financiële instelling

4. een ondiepte in het water

5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is

6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank

Werkwoord

vervoeging van
banken

bank

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van banken
    • Ik bank.
  2. gebiedende wijs van banken
    • Bank!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van banken
    • Bank je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "bank" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Jessie Burton (vert. Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  3. Safae el Khannoussi
    “Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim op Wikipedia, ISBN 9789493339125

  4. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  5. Zetel / stoel / bank op website Nederlandse Taalunie: taaladvies.net; geraadpleegd 2018-02-24
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 1299
g[A] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief bank banken banker bankene
genitief banks bankens bankers bankenes

Zelfstandig naamwoord

bank, g

  1. (economie) bank (financiële instelling)
  2. (bouwkunde) bank, bankgebouw
  3. (spel) bij bepaalde spelen de som van alle spelinzetten voor één spel, die de totale mogelijke winst uitmaakt
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties

op een bankje in een park zitten

Deense banken

in de bank gaan

de gehele (rest van de) inzetten winnen

o[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief bank banket bank bankene
genitief banks bankets banks bankenes

Zelfstandig naamwoord

(B) bank, o

  1. rammeling, ransel, een pak rammel, een pak ransel, een pak slag
  2. (sport) bestraffing (van een tegenstander)
  3. klop, slag
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

bank, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bank (betekenis [B])

Verwijzingen

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
bank banks

Zelfstandig naamwoord

bank

  1. oever van een rivier
  2. bank [2] (financiële instelling)
vervoeging
onbepaalde wijs to bank
he/she/it banks
verleden tijd banked
voltooid deelwoord banked
onvoltooid deelwoord banking
gebiedende wijs bank

Werkwoord

bank

  1. onovergankelijk hellen
  2. onovergankelijk zich ophopen, zich opstapelen
  3. onovergankelijk, (financieel) een bankrekening hebben
  4. overgankelijk indammen,, indijken
  5. overgankelijk ophopen, opstapelen
  6. overgankelijk doen hellen
  7. onovergankelijk, (financieel) beleggen
  8. overgankelijk op een rij zetten
  9. ~ on rekenen op, vertrouwen op

Indonesisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bank

  1. (financieel) bank (financiële instelling)

Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bank v

  1. (Hooglimburgs) bank (zitmeubel)
  2. (Hooglimburgs) bank (financiële instelling)
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief bank pank benkske penkske benk penk benkskes penkskes
genitief banks panks benkskes penkskes benk penk benkskes penkskes
locatief bankes pankes bankeske pankeske bankese pankese bankeskes pankeskes
datief bank pank benkske penkske benk penk benkskes penkskes
accusatief bank pank benkske penkske benk penk benkskes penkskes
Verwante begrippen

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 1220

Werkwoord

bank

  1. gebiedende wijs van banke
m[A] + [B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief bank banken banker bankene
genitief banks bankens bankers bankenes

Zelfstandig naamwoord

[A] bank m

  1. bank (financiële instelling)
  2. bank, bankgebouw
  3. bank, speelbank
  4. lager, reserve
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] bank m

  1. kloppen
  2. ransel, slag rammel
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

bank

  1. gebiedende wijs van banka
Afgeleide begrippen

Werkwoord

bank

  1. gebiedende wijs van banke
Afgeleide begrippen
m[A] + [B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief bank banken bankar bankane

Zelfstandig naamwoord

[A]: bank, m

  1. bank (financiële instelling)
  2. bank, bankgebouw
  3. bank, speelbank
  4. lager, reserve
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B]: bank m

  1. kloppen
  2. ransel, slag rammel
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

bank

  1. genitief meervoud van banka