begeven - WikiWoordenboek (original) (raw)
zich naar de bruiloft begeven [1]
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs | verleden tijd | voltooid deelwoord |
| begeven | begaf | begeven |
| klasse 5 | volledig |
Werkwoord
begeven
- wederkerend zich ~: ergens heen gaan vaak op een plechtige of feestelijke manier
▸ ” Als een opgewonden klas op schoolreisje begeven de deelnemers zich op een drafje naar hun wagens.[1]- Zij begaven zich naar de abdij van Westminster.
▸ Verder was het reglementair vastgelegd dat gasten zich na 23. 00 uur niet meer in het zwembad mochten begeven.[2]
- Zij begaven zich naar de abdij van Westminster.
- absoluut het ~: niet langer aan de druk weerstand kunnen bieden
▸ Het is daarbuiten één grote radioactieve soep en als hun hitteschilden het zouden begeven werden ze meegekookt, en dat weten ze.[3]- Een van de tentpalen begaf het en de tent stortte gedeeltelijk ineen.
- overgankelijk (verouderd) in de steek laten, verlaten
- Maakt u zich geen zorgen, ik zal u niet begeven.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Woordherkomst en -opbouw
- vervoeging van begeven: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)
Werkwoord
begeven
- voltooid deelwoord van begeven
Gangbaarheid
- Het woord begeven staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "begeven" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |