behagen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
behagen behaagde behaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

behagen [2]

  1. onovergankelijk met meewerkend voorwerp welgevallig zijn
    • Het behaagde hem 's avonds eens een cognacje te drinken bij de open haard.
    • Het behaagt de koning om te benoemen .... zijn de eerste woorden die uitgesproken worden bij de lintjesregen.
Opmerkingen
    • Gij behaagt den Heere niet.
enkelvoud meervoud
naamwoord behagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

het behagen o [3]

  1. het zich op zijn gemak voelen, het plezier aan iets beleven
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. aan iemand welgevallig zijn

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "behagen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be