behagen - WikiWoordenboek (original) (raw)
- In de betekenis van ‘aangenaam zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1201 [1]
- Afgeleid van het verouderde werkwoord hagen met het voorvoegsel be-
behagen [2]
- onovergankelijk met meewerkend voorwerp welgevallig zijn
- Het behaagde hem 's avonds eens een cognacje te drinken bij de open haard.
- Het behaagt de koning om te benoemen .... zijn de eerste woorden die uitgesproken worden bij de lintjesregen.
- Gij behaagt den Heere niet.
het behagen o [3]
- het zich op zijn gemak voelen, het plezier aan iets beleven
1. aan iemand welgevallig zijn
| 98 % |
van de Nederlanders; |
| 98 % |
van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "behagen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be