beheersen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
beheersen beheerste beheerst
zwak -t volledig

Werkwoord

beheersen

  1. overgankelijk meester zijn over, het gezag uitoefenen over
    • Hij weet zijn gevoelens heel goed te beheersen.
      Eén ding dat mijn stadse leven had beheerst was ik al helemaal kwijt: mijn gevoel voor tijd.[1]
      De eindstrijd, de laatste stormloop. Hierin zou het lot van volkeren in een bikkelharde strijd worden beslist. Het ging erom wie de wereld zou beheersen.[2]
  2. wederkerend de baas zijn over zichzelf; meester zijn over de eigen gevoelens of impulsen
    Ze wilde glimlachen om deze ontdekking, maar wist zichzelf te beheersen.[3]
  3. overgankelijk volledig verstaan
    • De student beheerst de leerstof.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. meester zijn, het gezag uitoefenen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen