bejaarde - WikiWoordenboek (original) (raw)
vrouwelijke bejaarde
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·jaar·de
Woordherkomst en -opbouw
Bijvoeglijk naamwoord
bejaarde
- verbogen vorm van de stellende trap van bejaard
▸ Een groep bejaarde toeristen in de lobby keek geschrokken op en ik gaf me gewonnen.[1]
▸ Om ons heen zaten bejaarde wandelaars met stokken, rugtassen en zuinige gezichten.[2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bejaarde | bejaarden |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- iemand op hoge leeftijd (>65 jaar)
- Hoeveel mag een bejaarde aan spaargeld hebben zonder een eigen bijdrage te betalen aan het verzorgingshuis?[3]
▸ Het enorme gewicht duwt me voorover en gebogen als een bejaarde beweeg ik me de trein uit en loop de trappen af naar de ondergrondse stationshal.[4]
- Hoeveel mag een bejaarde aan spaargeld hebben zonder een eigen bijdrage te betalen aan het verzorgingshuis?[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. iemand op hoge leeftijd
Gangbaarheid
- Het woord bejaarde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bejaarde" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑
Marion Pauw e.a.
“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340 - ↑
Ronald Giphart e.a.
“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471 - ↑ spaarbaak.nl
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be