bekken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bekken bekkens
verkleinwoord bekkentje bekkentjes

Zelfstandig naamwoord

het bekken o

  1. vrij ondiepe maar brede ronde schaal
  2. (anatomie) het gebeente tussen beide heupen
    • Mensen hebben een nauw bekken en dat kan bij de geboorte van een kind een groot probleem zijn.
  3. (muziekinstrument) een slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
    • Bekkens worden los gebruikt maar ook per twee tegen elkaar geslagen.
  4. (geologie) (aardrijkskunde) glooiende laagte, bodeminzinking, stroomgebied
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. vrij ondiepe maar brede schaal

2. gebeente tussen beide heupen

3. (muziekinstrument) slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp

Zelfstandig naamwoord

de bekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bek
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
bekken bekte gebekt
zwak -t volledig

Werkwoord

bekken

  1. op een enthousiaste manier zoenen
    • Pieter stond in de hoek te bekken met die blondine.
  2. goed in de mond liggen
    • Die titel bekt niet lekker en kan beter veranderd worden.
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 3 "bekken" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be