beledigen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
beledigen beledigde beledigd
zwak -d volledig

Werkwoord

beledigen

  1. overgankelijk (nare) opmerkingen maken tegen of over een persoon die dat niet leuk vindt
    • Hij had zijn buurman beledigd, dus die ging boos naar huis.
    • Iemand die snel op zijn teentjes getrapt is, voelt zich snel beledigd.
      Wij zitten nog volop in een rouwproces, weet je wel? Als jij nu naar je werk gaat, dan beledig jij onze kinderen, mij, en bovenal jezelf.[3]
      ‘De enige die hier van beledigen een sport heeft gemaakt ben jij, Jeroen.’[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen