beroeren - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| beroeren | beroerend |
| beroering | beroerd |
Woordafbreking
- be·roe·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs | verleden tijd | voltooid deelwoord |
| beroeren | beroerde | beroerd |
| zwak -d | volledig |
Werkwoord
beroeren
- overgankelijk onrust veroorzaken, in onrustige beweging brengen
- De komst van de grote groep motorrijders beroerde de gemoederen in het kleine dorpje.
- overgankelijk aanraken
- In de beschutting van het struikgewas betraden zij voor het eerst het pad van de liefde en beroerden elkaars lippen.
▸ Voordat ze de computer aanzette wreef Chantal in haar handen. Ze waren klam. Te nat om er de toetsen mee te beroeren, te droog om naar beneden te lopen en ze te gaan wassen.[1]
- In de beschutting van het struikgewas betraden zij voor het eerst het pad van de liefde en beroerden elkaars lippen.
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
- Het woord beroeren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "beroeren" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 97 % | van de Vlamingen.[2] |