berouw - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord berouw -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

het berouw o

  1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad, spijt, schuldgevoel
    • Japanse premier spreekt berouw uit over leed WOII [2]
      'Wat wil je nu eigenlijk zeggen, Hannah met een h? Jezus, als ik je beledigd heb op wat voor manier dan ook, sorry!' Er klinkt geen enkel spoortje berouw in haar zogenaamde spijtbetuiging.[3]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw

als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw

Vertalingen

1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad

Werkwoord

vervoeging van
berouwen

berouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
    • Ik berouw me.
  2. gebiedende wijs van zich berouwen
    • Berouw je!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
    • Berouw je je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. berouw op website: Etymologiebank.nl
  2. www.nu.nl

  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be