beschuldigen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
beschuldigen beschuldigde beschuldigd
zwak -d volledig

Werkwoord

beschuldigen

  1. overgankelijk iemand de schuld geven van iets
    • Ik beschuldig hem van deze misdaad.
    • Hij beschuldigde iedereen behalve zichzelf van de ellende die hem overkwam.
      Het was onzin om de mensen van het hotel te beschuldigen, wist hij.[2]
      Bakker kwam eind 2010 in opspraak toen enkele vrouwelijke ex-cliënten hem beschuldigden van seksueel misbruik. In 2011 werd Bakker in hechtenis genomen en in 2012 kreeg hij vijf jaar cel opgelegd. Door het voorarrest kwam Bakker in 2014 al vrij.[3]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. iemand de schuld geven van iets

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
infinitief verleden tijd voltooid deelwoord
beschuldigen beschuldigte beschuldigt
zwakuntrennbar volledig met "haben"

Werkwoord

beschuldigen (met accusatief: iemand beschuldigen / met accusatief en genitief: iemand van iets beschuldigen)

  1. overgankelijk aanklagen, beschuldigen, betichten, schuld geven aan
    «Die USA beschuldigen den russischen Geheimdienst, hinter dem Angriff zu stecken.»
    De Verenigde Staten beschuldigen de Russische geheime dienst achter de aanslag te steken.
Hyperoniemen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

ten onrechte beschuldigen

publiekelijk beschuldigen

elkaar beschuldigen

«Die Konfliktparteien beschuldigen sich gegenseitig.»

De strijdende partijen beschuldigen elkaar.