bespringen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
bespringen besprong besprongen
klasse 3 volledig

Werkwoord

bespringen

  1. overgankelijk aanvallen door er op te springen
    • De tijger bespringt onverhoeds zijn prooi
      De naakte bewoner schroomde echter niet om de inbreker te bespringen en deze vast te houden.[2]
  2. overgankelijk (seksualiteit) gretig benaderen voor seks
    Mannelijke bruinvissen bespringen soms vrouwtjes die boven water komen om adem te halen en proberen hun penis tijdens zo’n sprong onmiddellijk in de vagina te steken.[3]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen