betrappen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
betrappen betrapte betrapt
zwak -t volledig

Werkwoord

betrappen

  1. overgankelijk iemand ~: getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
    • De dief werd door de politie op heterdaad betrapt.
    • De man werd betrapt op het rijden door rood licht.
      Ook kwamen ze er langzamerhand achter dat de geuite beschuldigingen op een kern van waarheid berusten. ’Chantal betrapte zichzelf erop dat ze aan zijn lippen hing.[2]
  2. overgankelijk iemand ~: getuige worden van een feit dat verborgen had moeten blijven
    Haar schoonmoeder schuifelde nogal ongemakkelijk op haar stoel. Een uiting van onzekerheid waar ze normaal gesproken nooit op te betrappen viel.[2]
Vertalingen

1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen