beuk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beuk beuken
verkleinwoord beukje beukjes

Zelfstandig naamwoord

de beuk m

  1. (bloemplanten) bepaald soort loofboom Fagus sylvatica op Wikispecies, een Europese hardhoutboom die inheems is in de Benelux en tot 46 meter hoog kan worden
    Wordt ook gebruikt als (deel van de) aanduiding voor andere bomen uit het geslacht Fagus op Wikispecies.
    • Een beuk heeft een gladde stam een eik heeft een ruwe bast.
  2. een bekisting als hulpmiddel bij tunnelbouw
  3. (bouwkunde) (religie) middelste en grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk die zich uitstrekt van de narthex tot het koor en wordt geflankeerd door zijbeuken
    • De beuk van de kerk bestond uit een middenschip en twee zijbeuken.
  4. een stevige duw, oplawaai, opdoffer (-> ww. beuken)
    • Ik kreeg verschillende beuken van mijn tegenstander te verduren.
  5. het rammen van een poort
    • Ik gaf een flinke beuk tegen de gesloten deur zodat die openvloog.
    • De beuk erin!
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

3. lange smalle centrale hal van een kruiskerk

Werkwoord

vervoeging van
beuken

beuk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
    • Ik beuk.
  2. gebiedende wijs van beuken
    • Beuk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
    • Beuk je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. "beuk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. beuk op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be