bidden - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bid·den
Woordherkomst en -opbouw
- erfwoord van Oudnederlands biddon. Proto-Germaans *bed-jan-. Verwant met Duits bitten ww , Oudfries bidda, Oudhoogduits bidjan/bidan. Verdere herkomst onzeker; ofwel van Indo-Europees *gwhedh- ("verzoeken/verlangen/begeren"), of van *bhedh- ("buigen") of van *bheidh- ("dwingen"), in dit laatste geval ook verwant met Latijn fidere. [1]
- In de betekenis van ‘gebed richten tot God, smeken’ voor het eerst aangetroffen in 901 [2]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs | verleden tijd | voltooid deelwoord |
| bidden | bad | gebeden |
| klasse 5 | volledig |
Werkwoord
bidden
- inergatief (religie) in gebed zijn, een godheid iets vragen
- Voor het slapen bid ik altijd mijn avondgebed.
▸ Mijn zondagochtendlijke fietstochten leidden me de afgelopen jaren echter niet langer naar kerkgebouwen, maar ik voelde me steeds meer aangetrokken tot de natuur. Toen ik aan het lopen was, werden Yosemite en Kings Canyon mijn kathedralen. In de natuur vind ik rust en vrede om na te denken en te bidden.[3]
- Voor het slapen bid ik altijd mijn avondgebed.
- inergatief iemand dringend/met klem iets vragen, smeken
- Ik bid je om daarmee te stoppen.
- Ik heb gesmeekt en gebeden bij de gemeente om eindelijk eens die gevaarlijke spoorwegovergang te sluiten.
▸ we kunnen alleen maar bidden dat Arnoud Maakvrede behalve een brave burger vooral een Amsterdammer is.[4]
- inergatief (dierkunde) (van vogels) klapwiekend stilhangen in de lucht
- Ik zag hoog in de lucht een valk bidden.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- adelaarshorst
- adelaarsjong
- adelaarsnest
- akkervogel
- auerhaan
- badderen
- baltsroep
- baltsvlucht
- bosvogel
- broedpaar
- broedseizoen
- daguil
- dompelaar
- duiver
- eclipskleed
- ei
- eitand
- foerageren
- gakken
- gander
- ganzerik
- geertelsel
- gent
- haan
- heidevogel
- hen
- klamper
- koekoeksjong
- kuiken
- kustvogel
- moerasvogel
- nachtuil
- nachtvogel
- overzomeren
- papegaaienbek
- pullus
- roeipotig
- roofvogel
- roodhals
- schreeuwvogel
- sneeuwtrekker
- standvogel
- takkeling
- trekvogel
- tuingast
- tuinvogel
- waadpoot
- watervogel
- weidevogel
- winterkleed
- zomerkleed
- zwemeend
- zwemvogel
Vertalingen
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
2. dringend iets vragen, smeken
Gangbaarheid
- Het woord bidden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bidden" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[5] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ bidden op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "bidden" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be