bijbel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

bijbel

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijbel bijbels
verkleinwoord bijbeltje bijbeltjes

Zelfstandig naamwoord

de bijbel m

  1. (religie) exemplaar van de Bijbel, het heilige boek van de christenen
    • Hij heeft thuis altijd twee bijbels liggen.
      Hij vertelde me dat hij ooit vijf dagen volledig afgezonderd in de Australische outback was gedropt met niet meer dan een stuk zeil, wat eten en drinken en een bijbel. Het was een bewustwordings-survival-oefening van de kerk van zijn ouders.[1]
  2. (figuurlijk) boek of andere publicatie dat het belangrijkste is in zijn onderwerp, of dat alle belangrijke informatie over het onderwerp bevat
    • Het boek 'Grotten Verkennen' is de bijbel van de grotlopers.
  3. (figuurlijk) grote passie
    • De muziek van de Beatles was zijn bijbel.
  4. (techniek) een werktuig voor het maken van vuurpijlen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een exemplaar van de originele Bijbel

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen


  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be