bikken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
bikken bikte gebikt
zwak -t volledig

Werkwoord

bikken

  1. overgankelijk met moeite ervan af schrapen of hakken. [2]
    • Ik moest bikken om het ijs van mijn voorruit te krijgen.
  2. inergatief (informeel) het nuttigen van voedsel. [3]
    • Heb je ook iets te bikken?
    • Ik wil graag eerst wat bikken.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. met moeite ervan af schrapen of hakken

2. het nuttigen van voedsel

Zelfstandig naamwoord

de bikken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bik

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. 1 2 "bikken" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. (hakken) bikken op website: Etymologiebank.nl
  3. (eten) bikken op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be