binnenkant - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord binnenkant binnenkanten
verkleinwoord binnenkantje binnenkantjes

Zelfstandig naamwoord

de binnenkant m

  1. de zijde die in een bepaalde afgeschermde ruimte gelegen is
    • De binnenkant van dit vat is beschermd tegen corrosie met een speciale verflaag.
    • De binnenkant van de jas ik van bont terwijl de buitenkant waterafstotend is.
      Ze zien de binnenkant van het kabinet, verdeeld in negen vakken waarvan sommige wandbekleding met bladgoud hebben en andere houten panelen.[1]
      De bliksemschicht bevat een enorme hoeveelheid energie waarbij heel veel warmte vrijkomt. De binnenkant van de bliksemstraal kan volgens Weerplaza wel 33.000 graden zijn. Ter vergelijking: de oppervlakte van de zon is ongeveer 5.500 graden. De hitte zorgt ervoor dat de lucht rondom de bliksemschicht uitzet waardoor een schokgolf ontstaat in de lucht. En dat horen wij als de donder.[2]
  2. het geestelijke leven van een persoon
    'Alleen qua uiterlijk was het Jeroen.' De binnenkant deed niet meer mee. De blik in zijn ogen was leeg.[3]
  3. de zijde die tussen twee zaken in ligt
    Na het plassen waste ik mijn handen en gezicht en zeepte de binnenkant van mijn dijen licht in.[4]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

Categorieën: