bips - WikiWoordenboek (original) (raw)

Een bips
(aquarel van Jean-Jacques Lequeu)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bips bipsen
verkleinwoord bipsje bipsjes

Zelfstandig naamwoord

de bips v

  1. (anatomie), (eufemisme) billen, achterwerk, derrière
    • - Voor de bips geldt kijken, kijken, maar niet aankomen.
    • - Het stoute kind kreeg een tik op zijn bips.
      Die G Star-spijkerbroek knijpt in het kruis en dat Agnès B-colbert kruipt in de oksel, maar de joggingbroek valt als gegoten om ieders bips.[2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bips" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink Weblink bron
    Arno Kantelberg
    Cult, A Reader's Guide in: Bzzlletin, Jaargang 28 (1998-1999), BZZTôH, Den Haag, p. 6 op dbnl.org op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be