blozen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Blozen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
blozen bloosde gebloosd
zwak -d volledig

Werkwoord

blozen

  1. inergatief rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
    • Toen zij haar naam hoorde en duidelijk werd dat ze ten voorbeeld gehouden werd, bloosde zij.
    • Het blozende meisje kreeg een blos op haar wangen.
      Ze speelde met het bovenste bierviltje van een stapeltje dat voor haar op tafel lag en hoopte dat ze niet ging blozen.[2]
Vertalingen

rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen