bochel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bochel bochels
verkleinwoord bocheltje bocheltjes

Zelfstandig naamwoord

de bochel m

  1. een onnatuurlijk vergroeiing van de wervelkolom die tot een vervormde rug leidt
    • De van Shakespeares drama bekende mismaakte koning Richard III had toch geen bochel of horrelvoet. Dat betogen Britse medische wetenschappers in het tijdschrift The Lancet na onderzoek naar het geraamte van de 15de-eeuwse koning, dat in 2012 werd gevonden onder een parkeerplaats in Midden-Engeland.[2]
  2. iemand met een bochel [1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een onnatuurlijk vergroeiing van de wervelkolom die tot een vervormde rug leidt

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bochel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Kester Freriks NRC 3 juni 2014
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be