bode - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bode boden, bodes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de bode m

  1. (beroep) iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
    • De bode verkondigde een boodschap van grote vreugde.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bode" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief bode boden
genitief boden boden
datief bode boden
accusatief bode boden
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bode m

  1. bode

Nynorsk

Woordafbreking

Bijvoeglijk naamwoord

bode, o

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van boden
Schrijfwijzen

Werkwoord

bode

  1. voltooid deelwoord van by
Schrijfwijzen

Werkwoord

bode

  1. voltooid deelwoord van byda
Schrijfwijzen

Werkwoord

bode

  1. voltooid deelwoord van byde
Schrijfwijzen

Plautdietsch

Werkwoord

bode

  1. baden, wassen

Slowaaks

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

bode

  1. locatief enkelvoud van bod

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

bode

  1. vocatief enkelvoud van bod