boei - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boei boeien
verkleinwoord boeitje boeitjes

Zelfstandig naamwoord

de boei v / m

  1. (scheepvaart) een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven [2]
    • Je kan maar beter tussen de boeien blijven varen, anders lopen we nog vast.
  2. een kluister voor hand of voet, een werktuig om iemand gevangen te houden. [3]
    • Doe hem die boei af, hij is geen beest.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven

2. een kluister voor hand of voet, een werktuig om iemand gevangen te houden

Werkwoord

vervoeging van
boeien

boei

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeien
    • Ik boei.
  2. gebiedende wijs van boeien
    • Boei!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeien
    • Boei je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "boei" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. boei op website: Etymologiebank.nl
  3. boei op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Papiaments

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud ofimpliciet meervoud expliciet meervoud
boei boeinan

Zelfstandig naamwoord

boei

  1. (scheepvaart) boei
Schrijfwijzen