bon - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bon bonnen(bons)
verkleinwoord bonnetje bonnetjes

Zelfstandig naamwoord

de bon m [3]

  1. stukje papier dat als tegoedbewijs dienst doet
    • Er zit een bon bij van tien punten.
  2. een rantsoeneringsbewijs
    • De suiker is op de bon.
  3. een opgelegde boete of bekeuring
    • Hij kreeg weer een bon voor te hard rijden.
  4. stukje papier waardoor je kunt bewijzen dat je iets betaald hebt
    • U kunt het artikel ruilen op vertoon van de bon.
Uitdrukkingen en gezegden

een bekeuring krijgen

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bon" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. bon op website: Etymologiebank.nl
  3. bon op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------- | -------------------------------------------------- | | mannelijk | bon | bons | | vrouwelijk | bonne | bonnes |

Bijvoeglijk naamwoord

bon

  1. goed
Afgeleide begrippen

Verwijzingen

Indonesisch

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bon

  1. bon
  2. rekening
  3. bond
Synoniemen

Surinaams

Zelfstandig naamwoord

bon

  1. (plantkunde) boom