bonk - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bonk
Woordherkomst en -opbouw
- [1]-[4]: van Middelnederlands bonc, in de betekenis van ‘klomp, bot’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1][2][3]
- [6] naamwoord van handeling van bonken ww zonder de uitgang "-en", klanknabootsing van een bonzende stoot of van de betekenis 1. [4]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bonk | bonken |
| verkleinwoord | bonkje | bonkjes |
Zelfstandig naamwoord
de bonk m
- harde klont
- Er zaten allemaal bonken in het beslag.
▸ Ik heb de man gezien. Eén bonk vet. Geloof me, met nog geen tien defibrillators had men dat hart weer aan de praat gekregen.[5]
- Er zaten allemaal bonken in het beslag.
- (anatomie) groot bot
- (overdrachtelijk) stevige kerel
- Wat een bonk van een vent, kwam daar ineens door de deur.
- grote knikker
- dicht met elkaar vergroeide planten of resten van planten
- (geluid van een) doffe stoot
Synoniemen
- [1] klont
Hyponiemen
- [3] zeebonk, schobberdebonk
- [5] rietbonk, veenbonk,
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bonken |
bonk
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
- Ik bonk.
- gebiedende wijs van bonken
- Bonk!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
- Bonk je?
Gangbaarheid
- Het woord bonk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bonk" herkend door:
| 94 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 88 % | van de Vlamingen.[6] |
Verwijzingen
Surinaams
Werkwoord
bonk