boodschap - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boodschap boodschappen
verkleinwoord boodschapje boodschapjes

Zelfstandig naamwoord

de boodschap v

  1. (communicatie) overgebracht bericht
    • Hartverscheurend en zielsnijdend is ‘Vurdular Bizi’, vertaald als They Shot Us. Het nummer opent met een geluidsfragment van de vredesdemonstratie van 10 oktober 2015 in Ankara. De menigte zingt een vredelievende boodschap die wordt overstemd door explosies die 102 mensen het leven zouden kosten.[4]
      Terlouw pleitte ervoor "progressief, onafhankelijk, kritisch en redelijk" te zijn. Hij zette zichzelf neer als optimist en idealist, die stond voor de zorg voor de aarde en het milieu. Het was een boodschap die hij ook na zijn politieke carrière tot op hoge leeftijd zou blijven uitdragen.[5]
  2. (huishouden) levensmiddel of andere alledaagse aanschaf
    Ik had nog snel een boodschap gehaald bij de supermarkt en was onderweg naar mijn geparkeerde auto toen het begon te regenen.[6]
    Maandag waarschuwde het CBL al dat deze blokkade op langere termijn ook invloed kan hebben op de boodschappen als de leveringen helemaal stilgelegd moeten worden. Ook onder andere de bezorgdienst Picnic en flitsbezorgers als Gorillas ondervinden hinder van de boerenprotesten.[7]
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

[1] boodschapper, boodschapster

Uitdrukkingen en gezegden

Dat is wat er nu moet gebeuren

    • Volhouden is de boodschap.

Het juiste bericht, signaal of teken

Ergens niets mee te maken willen hebben, of zich niets van iets aan willen trekken

Die is bijdehand.

Even heel wat anders: waar ga je naar de wc in de wildernis? Zoals de mens al eeuwen lang buiten zijn behoefte doet, moest ook ik in de wildernis mijn grote boodschap achterlaten, met de mooiste uitzichten denkbaar.[8]

Vertalingen

2. levensmiddel of andere alledaagse aanschaf

Werkwoord

vervoeging van
boodschappen

boodschap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boodschappen
    • Ik boodschap.
  2. gebiedende wijs van boodschappen
    • Boodschap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boodschappen
    • Boodschap je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. boodschap op website: Etymologiebank.nl
  3. "boodschap" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Leendert van der Valk NRC 12 april 2016
  5. Bronlink geraadpleegd op 16 mei 2025 Weblink bron
    Dik Verkuil
    “Het vertrouwen van Jan Terlouw was zijn kracht en zijn zwakte” (16 mei 2025), NOS
  6. Bronlink geraadpleegd op 9 november 2020 Weblink bron
    Wim
    De balk, RDMagazine eindejaarseditie in: Reformatorisch Dagblad op Wikipedia (28 december 2019), p. 15 kol. 1
  7. Bronlink geraadpleegd op 5 juli 2022 Weblink bron “Schade supermarkten door blokkades loopt in de tientallen miljoenen” (05 juli 2022), NU.nl

  8. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be