borg - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord borg borgen
verkleinwoord borgje borgjes

Zelfstandig naamwoord

de borg m

  1. (financieel) iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag, de borgsteller
    • Hij was bereid als borg op te treden.
  2. (financieel) borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie, onderpand
    • Als je het huurhuis weer in de originele staat aflevert krijg je de borg terug.
  3. (dierkunde) een gecastreerd mannetjesvarken
  4. (techniek) ketting of touw om iets mee vast te zetten, of een daarvoor bedoeld machineonderdeel
  5. de Groningse variant van een burcht
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag

2. borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie

3. een gecastreerd mannetjesvarken

Werkwoord

vervoeging van
bergen

borg

  1. enkelvoud verleden tijd van bergen
    • Ik borg.
    • Jij borg.
    • Hij, zij, het borg.

Werkwoord

vervoeging van
borgen

borg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borgen
    • Ik borg.
  2. gebiedende wijs van borgen
    • Borg!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borgen
    • Borg je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. borg op website: Etymologiebank.nl
  2. "borg" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

IJslands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 1286
Klasse f2sterk enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief borg borgin borgir borgirnar
genitief borgar borgarinnar borga borganna
datief borg borginni borgum borgunum
accusatief borg borgina borgir borgirnar

Zelfstandig naamwoord

borg, v

  1. (bouwkunde) burcht, kasteel, vesting
  2. (geologie) klip, rots
  3. (politiek) gemeente, stad, grootstad
    «Flestar borgir hafa miðbæjarkjarna.»
    De meeste steden hebben een centrale kern.
  4. (spel) vrije ruimte in kinderspel (waar je niet "gepakt" kunt worden)
Typische woordcombinaties

staat en stad

Synoniemen
Hyponiemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

borg

  1. datief onbepaald vrouwelijk enkelvoud van borg

borg

  1. accusatief onbepaald vrouwelijk enkelvoud van borg