brand - WikiWoordenboek (original) (raw)

Een brand.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brand branden
verkleinwoord brandje brandjes

Zelfstandig naamwoord

de brand m

  1. verbranding met vuur
    • Er is een brand in de school.
  2. (figuurlijk) iets dat heel warm en schadelijk is
    Ik liep als het ware met een rasp in mijn achterste (chafing noemen ze dat in Amerika) wat verschrikkelijk veel pijn deed, het was alsof ik in brand stond. Zelfs met speciaal chafing-poeder (‘Anti Monkey Butt Powder’) bleef de pijn de hele dag doorzeuren.[5]
    Het werd haar bijna te veel; deze keer keek hij naar haar omdat hij dat wilde, en ze had het gevoel alsof haar hoofd in brand stond.[6]
    De stem van de vrouw was als een oergeluid dat weer tot leven was gekomen, en Olive stond op en dronk een vijfde glas bubbels - o nee, dit was geen champagne, dit was een of andere sterkedrank, vuurwater dat haar ingewanden in brand zette.[6]
  3. geen meervoud (figuurlijk) (verouderd) glanzende kling van een zwaard
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Bemiddelen in een klein of groter conflict, of een niet al te groot probleem oplossen

In de problemen zitten

Erg hard/uitbundig schreeuwen

Geholpen zijn, problemen opgelost

Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord brand brands
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de brand v / m

  1. merk

Werkwoord

vervoeging van
branden

brand

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van branden
    • Ik brand.
  2. gebiedende wijs van branden
    • Brand!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van branden
    • Brand je?
Uitdrukkingen en gezegden

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Oudnederlands Woordenboek
  3. brand (vuur) op website: Etymologiebank.nl
  4. "brand" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  5. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

enkelvoud meervoud
brand brands
vervoeging
onbepaalde wijs to brand
he/she/it brands
verleden tijd branded
voltooid deelwoord branded
onvoltooid deelwoord branding
gebiedende wijs brand
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

brand

  1. merk
  2. brandmerk, stigma
  3. brandijzer

Werkwoord

brand

  1. overgankelijk brandmerken

Noors

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 11016
[A]+[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief brand branden brander brandene
genitief brands brandens branders brandenes

Zelfstandig naamwoord

[A]: brand, m

  1. een gesneden post of stok
  2. dwarshout
  3. bonk, vent
  4. een bevreesde, onverschrokken persoon
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyperoniemen

Zelfstandig naamwoord

[B] brand, m

  1. handelsmerk, merk
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

brand

  1. verouderde spelling of vorm van brann

onbepaalde mannelijke vorm nominatief enkelvoud van brand

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | -------------------------------------------------------- | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | brand | branden | brandar | brandane |

Zelfstandig naamwoord

brand, m

  1. een gesneden post of stok
  2. dwarshout
  3. een lange knuppel
  4. bonk, vent
  5. een bevreesde, onverschrokken persoon
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyperoniemen

Zelfstandig naamwoord

brand

  1. verouderde spelling of vorm van brann

onbepaalde mannelijke vorm nominatief enkelvoud van brand

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 4479
brands enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief brand branden bränder bränderna
genitief brands brandens bränders brändernas

Zelfstandig naamwoord

brand, g

  1. brand
    «Ingen person skadades i samband med branden
    Niemand raakte gewond bij de brand.
  2. (medisch) koudvuur, nat gangreen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen