brandweer - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brandweer
verkleinwoord brandweertje brandweertjes

Zelfstandig naamwoord

de brandweer v / m

  1. (maatschappij) instantie die zich bezighoudt met het voorkomen en bestrijden van branden en het redden van mensen of dieren
    Tribunes werden in brand gestoken en de brandweer werd met stenen bekogeld.[2]
    Daarom is de brandweer in hoogste staat van paraatheid.[3]
    • Canada heeft op moederdag hulp gekregen van Moeder Natuur. Dankzij lichte regen en dalende temperaturen breidden de aanhoudende natuurbranden in de provincie Alberta zich minder snel uit dan verwacht. De brandweer zegt voor het eerst grip te krijgen op de situatie.[4]
    • Door snel ingrijpen van de brandweer is een grote bosbrand in het Almelose Nijreesbos dinsdagmiddag voorkomen. [5]
      Als het huis in de fik vloog, nam hij waarschijnlijk niet eens de moeite om de brandweer te bellen.[6]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "brandweer" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Onno van Nijf
    “Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312275
  3. Bronlink geraadpleegd op 13-7-2025 Weblink bron “12.000 bezoekers bij illegale rave in Zuid-Frankrijk.” (13-7-2025), NOS
  4. Sam de Voogt NRC 9 mei 2016
  5. Tubantia Jeroen de Kleine 23-07-19 Bosbrandje Nijreesbos Almelo snel onder controle
  6. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be