brommen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
brommen bromde gebromd
zwak -d volledig

Werkwoord

brommen

  1. inergatief een laag rommelend geluid voortbrengen
    • Er werd als antwoord wat gebromd, maar duidelijkheid kwam er niet.
  2. boos, bestraffend of ontevreden praten
    • De leraar bromde tegen zijn luie leerlingen.
      Toen ik bij de barman naar de wificode informeerde, bromde hij dat het internet al een week niet werkte.[2]
  3. ergatief op een bromfiets ergens heen gaan
    • Ik ben wel eens naar Giessendam gebromd.
  4. inergatief op een bromfiets rijden
    • Hij had heel wat gebromd voordat hij zijn motorrijbewijs ging halen.
  5. in de gevangenis zitten
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

de brommen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord brom

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "brommen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be