bruid - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Hollands bruidje

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bruid bruiden
verkleinwoord bruidje bruidjes

Zelfstandig naamwoord

de bruid v

  1. een vrouw die in het huwelijk treedt
    • Ze was een stralende bruid op die prachtige dag.
      Ze bekijkt Nella met een kille glimlach en laat haar blauwe ogen over de jonge bruid dwalen.[4]
      De kersverse bruid bracht haar huwelijksnacht door in het bed dat ze al jaren met Arabella deelde, met haar voeten naar het hoofdeinde van haar woelende zusje gericht.[4]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bruid" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. bruid op website: Etymologiebank.nl

  3. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 79
  4. 1 2
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Papiaments

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud ofimpliciet meervoud expliciet meervoud
bruid bruidnan

Zelfstandig naamwoord

bruid

  1. bruid
Schrijfwijzen
Antoniemen