buil - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

De kleuter is gevallen en heeft een buil op het voorhoofd.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buil builen
verkleinwoord builtje builtjes

Zelfstandig naamwoord

de buil m

  1. grote zeef voor het zeven van meel
  2. zak of zakje met bijvoorbeeld thee of kruiden

de buil v / m

3. (medisch) zwelling met het uiterlijk van een bobbel, bult

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Een strop [2] aan iets hebben

Vertalingen

1. grote zeef voor het zeven van meel

3. (medisch) zwelling met het uiterlijk van een bobbel, bult

Werkwoord

vervoeging van
builen

buil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van builen
    • Ik buil.
  2. gebiedende wijs van builen
    • Buil!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van builen
    • Buil je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "buil" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. buil op website: Etymologiebank.nl
  3. buil op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be