buit - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Romulus draagt de buit naar de tempel van Jupiter

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buit -
verkleinwoord buitje buitjes

Zelfstandig naamwoord

de buit m

  1. goederen gewonnen door diefstal of verovering
    • Toen zij de buit wilden verdelen ontstond er al snel een handgemeen.
Vertalingen

goederen gewonnen door diefstaf of verovering

Werkwoord

vervoeging van
buien

buit

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buien
    • Jij buit.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buien
    • Hij buit.
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van buien
    • Buit!

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "buit" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be