bukken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
bukken bukte gebukt
zwak -t volledig

Werkwoord

bukken

  1. inergatief vooroverbuigen, je verlagen tot iets
    • ,,Televisie is een medium dat om een zekere gedienstigheid vraagt. De hoekige kanten van je persoonlijkheid moet je onderdrukken. Ik heb daar geen zin meer in. Ik heb niet zoveel zin meer om te moeten bukken en buigen voor de goede smaak. Tegelijkertijd is de intellectuele overdracht op televisie verdwenen. Er zijn nog maar weinig goede documentaires te zien en er is geen boekenprogramma. Dat is jammer, want het gaat er tenslotte toch om dat een enkeling wordt aangestoken door iets wat hij ziet.'[3]
  2. wederkerend zich ~: het lichaam geheel voorover buigen (om bij iets lagers te komen)
    • Hij bukte zich om met zijn hand bij de gevallen pen te komen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen

2. het lichaam geheel voorover buigen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "bukken" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. bukken op website: Etymologiebank.nl
  3. Michel Krielaars NRC 20 september 2002
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be