bulderen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
bulderen bulderde gebulderd
zwak -d volledig

Werkwoord

bulderen

  1. inergatief een dreunend geluid maken
    • De kanonnen bulderden éénentwintig maal bij wijze van saluut.
  2. inergatief op ruwe en luide manier spreken
    • "Daar komt niets van in!" bulderde hij.

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "bulderen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be