bus - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bus bussen
verkleinwoord busje busjes

Zelfstandig naamwoord

de bus m

  1. (verkeer) vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers (autobus)
    Vanaf dat bedrijventerrein waren de ruim 200 bussen met supporters eerder die avond vertrokken. Go Ahead Eagles had aanhangers al gewaarschuwd dat het "uitstappen in Deventer enige tijd in beslag kan nemen".[2]
    Ik was overdonderd door alle toeristen in het bezoekerscentrum. Ze arriveerden in bussen, maakten foto’s, kochten ijsjes en snelden in hun witte shirts door naar een volgende attractie.[3]

de bus v / m

  1. blikken bewaardoos waarvan de hoogte groter is dan de breedte, vaak met de vorm van een cilinder
  2. collectebus
  3. postbus, brievenbus
    De brief rook vaag naar een ongewoon parfum en had ezelsoren, alsof Marjorie Quick hem een paar dagen in haar handtas had bewaard, voordat ze uiteindelijk had besloten hem op de bus te doen.[4]
    Het is mijn Senegalese buurman met een envelop die per ongeluk in zijn bus was beland.[5]
  4. (informatica) een standaardmethode voor het verbinden van de onderdelen van een computer
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

het is helemaal correct

het is helemaal correct

veel geld uitgeven

blijken of schijnen te zijn

Hij kwam als de winnaar uit de bus

iemand verraderlijk opofferen

Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bus" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 22 april 2025 Weblink bron “Feest barst los in Deventer na winst Go Ahead Eagles: 'We gaan Europa in!'” (22 april 2025), NOS

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  4. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  5. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  6. https://onzetaal.nl/schatkamer/lezen/uitdrukkingen/dat-klopt-als-een-bus
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

enkelvoud meervoud
bus buses

Zelfstandig naamwoord

bus

  1. (verkeer) bus

Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
bus l'bus bus les bus

Zelfstandig naamwoord

bus m

  1. (verkeer) bus
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
boire

bus

  1. eerste en tweede persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van boire

bus

  1. mannelijk meervoud voltooid deelwoord (participe passé) van boire

Indonesisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bus

  1. (verkeer) bus
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

bus m onbezield

  1. (verkeer) bus
Synoniemen

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
bus buses

Zelfstandig naamwoord

bus m

  1. (verkeer) bus
Synoniemen

Verwijzingen

Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

bus m onbezield

  1. (verkeer) bus
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | bus | busy | | genitief | busu | busů | | datief | busu | busům | | accusatief | bus | busy | | vocatief | buse | busy | | locatief | busu | busech | | instrumentalis | busem | busy |

Synoniemen