cash - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen cash
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

cash

  1. contant
    • De drugsdealer werd met cash geld betaald.
enkelvoud meervoud
naamwoord cash -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de cash m

  1. (financieel), (economie) contant geld
    • Hij betaalde de ober met cash.
      Daar vloeide te veel cash in de zakken van derden.[3]
    • Tsjechische geheime dienst: Rusland betaalde cash aan bevriende Nederlandse en Europese politici. [4]
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
cashen

cash

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cashen
    • Ik cash.
  2. gebiedende wijs van cashen
    • Cash!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cashen
    • Cash je?

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging
onbepaalde wijs to cash
he/she/it cashes
verleden tijd cashed
voltooid deelwoord cashed
onvoltooid deelwoord cashing
gebiedende wijs cash

cash

  1. overgankelijk, (financieel) onwisselen in contanten, verzilveren
  2. overgankelijk incasseren

Zelfstandig naamwoord

cash

  1. cash, contant geld

Verwijzingen

  1. cash, Online Etymology Dictionary