castreren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

castratie

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
castreren castreerde gecastreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

castreren

  1. overgankelijk, (biologie), (medisch) een sterilisatie uitvoeren bij een man of het mannelijke exemplaar van een dier, door verwijdering van de zaadballen
    • Eén keer per jaar kwam de veearts castreren. Onze honden waren gek op die man als hij zijn castratiekoffertje bij zich had. Ze gingen liggen kwijlen in de slootswal terwijl de eerste verdoving in de hals van de jonge hengst werd gespoten. Het dier werd langzaam omgetrokken, plaatselijk nog een keer verdoofd en de nog warme balletjes werden eruit gesneden. De veearts gooide ze een voor een hoog in de lucht, de honden sprongen.[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "castreren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Wiktionnaire
  3. Inge Steenhuis NRC 11 februari 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be