coach - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

[1] Rinus Michels voetbalcoach

[2] touringcar

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord coach coaches
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de coach m

  1. (beroep) iemand die beroepsmatig mensen of dieren begeleidt teneinde hun prestaties te verbeteren
    • Met Rinus Michels als coach won Nederland in 1988 het EK voetbal.
    • Spottend neemt het gezelschap plenair de gezondheidsgekte van Californië door - altijd weer slaaa!, de voor David te luide kutmuziek die uit de boxen komt, de geldgeilheid in de commerciële kunstwereld, om toch weer euforisch te landen bij de obsessieve aandrang van die westkust-piepeltjes om een coach in te huren om gezond te leven. [1]
      De Indian Express noemt een ander voorbeeld, van een vrouwelijke coach die de regionale BJP-minister van Sport in Haryana, voormalig hockeykampioen Sandeep Singh, eind vorig jaar beschuldigde van seksueel misbruik. Sindsdien zegt zij bedreigd te worden, terwijl Singh nog steeds minister is.[2]
  2. (transport) touringcar
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
coachen

coach

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coachen
    • Ik coach.
  2. gebiedende wijs van coachen
    • Coach!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coachen
    • Coach je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. de Volkskrant John Schoorl25 februari 2019 81-jarige kunstenaar David Hockney woont in Los Angeles met zijn entourage en komt de dag door met heel veel sigaretten, maar zonder alcohol
  2. Bronlink geraadpleegd op 6 oktober 2024 Weblink bron
    Aletta André
    “Worstelprotest werpt licht op seksueel misbruik in de Indiase sportwereld” (dinsdag 23 mei 2023, 20:45), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
coach coaches

Zelfstandig naamwoord

coach

  1. coach [1], repetitor, trainer
  2. (transport) koets
  3. (transport) spoorwagon
  4. (transport) personenrijtuig, personenvoertuig, personenwagen
  5. (transport) coach [2], touringcar
  6. (scheepvaart) kapiteinshut
  7. (transport) tweede klasse
  8. (dierkunde), (Australisch Engels) lokkoe
vervoeging
onbepaalde wijs to coach
he/she/it coachs
verleden tijd coached
voltooid deelwoord coached
onvoltooid deelwoord coaching
gebiedende wijs coach

Werkwoord

coach

  1. overgankelijk begeleiden, coachen, trainen
  2. overgankelijk van tips voorzien
  3. overgankelijk, (transport) met een koets vervoeren
  4. onovergankelijk als coach, repetitor e.d. fungeren
  5. onovergankelijk, (transport) met een koets rijden