combo - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord combo combo's
verkleinwoord combootje combootjes

Zelfstandig naamwoord

combo m / o

  1. (muziek) klein muziekensemble, vaak als begeleiding

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "combo" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. combo op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
combar

combo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van combar
vervoeging van
combarse

combo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van combarse