connector - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord connector connectorsconnectoren
verkleinwoord connectortje connectortjes

Zelfstandig naamwoord

de connector m

  1. (elektrotechniek) verbindingsstuk (stekker, contrastekker) die een elektrische verbinding tot stand brengt tussen vele adertjes (die ook weer los genomen kan worden)
  2. (werktuigbouwkunde) verbindingsstuk om onderdelen mechanisch te koppelen
Vertalingen

1.

Duits: Konnektor (de) m Engels: connector (en) Frans: connecteur (fr) m Spaans: conector (es) m

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be