dashboard - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

dashboard

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dashboard (dashboarden)dashboards
verkleinwoord dashboardje dashboardjes

Zelfstandig naamwoord

het dashboard o

  1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
    Dan heeft deze auto ook nog het Style+ pakket (€426) dat bestaat uit chromen sierlijsten, vermoeidheidsherkenning, chromen sierlijsten op de portieren, gekleurde panelen in het dashboard en het dak én de voorste raamstijl en de spiegelkappen in een afwijkende kleur.[3]
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. dashboard op website: Etymologiebank.nl
  2. "dashboard" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Bronlink Weblink bron
    Niek Schenk
    “Test Volkswagen T-Roc: modepop” (23-06-2018), Tubantia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
dashboard dashboards

Zelfstandig naamwoord

dashboard

  1. dashboard, instrumentenbord, instrumentenpaneel
  2. (historisch) spatbord aan de voorzijde van een koets, om de koetsier te beschermen tegen vuiligheid die opspat onder de paardenhoeven